Photo credits:

Misbruik van WAHV-procedures: kantonrechter trekt harde grens

De kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft op 2 december 2025 een duidelijke en voor de WAHV-praktijk ingrijpende uitspraak gedaan over misbruik van recht bij verkeersboeteprocedures. In drie samenhangende zaken werden de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze volgens de rechtbank evident kansloos waren en uitsluitend leken te zijn ingesteld met het oog op het verkrijgen van een proceskostenvergoeding.

De betrokkenen hadden via hun gemachtigde beroep ingesteld tegen beslissingen van de officier van justitie. In alle zaken werd volstaan met een standaardtekst waarin de gedraging werd ontkend en om toezending van de stukken werd verzocht. Nadat die stukken daadwerkelijk waren verstrekt, bleef iedere inhoudelijke toelichting uit. De ontkenning werd niet geconcretiseerd, niet toegespitst op de zaaksoverzichten en ook ter zitting niet toegelicht, nu de gemachtigde daar niet verscheen. De kantonrechter kwalificeert een dergelijke kale ontkenning, zeker afkomstig van een ervaren professionele rechtsbijstandverlener, als evident kansloos.

In de vervolgstap verlegde de gemachtigde de focus volledig naar een procedureel punt: de structurele schending van de hoorplicht in de administratief-beroepsfase. De kantonrechter erkent dat de hoorplicht inderdaad niet was nageleefd, maar stelt vast dat in geen van de zaken is uitgelegd waarover de betrokkenen dan gehoord hadden willen worden. Juist in het licht van de inhoudelijk kansloze beroepen acht de rechtbank dit veelzeggend. Het procederen was niet langer gericht op de beoordeling van de boetes zelf, maar op het verkrijgen van een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 907 per zaak binnen een no-cure-no-pay-constructie.

Op basis van artikel 3:13 jo. 3:15 BW oordeelt de kantonrechter dat sprake is van misbruik van recht. Het instellen en handhaven van beroepen waarvan men moet weten dat zij geen reële kans van slagen hebben, en die bovendien worden aangewend voor een ander doel dan waarvoor het rechtsmiddel is bedoeld, levert handelen te kwader trouw op. Daarbij verwijst de kantonrechter expliciet naar de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraak van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3447). Het gevolg is stevig: de beroepen worden niet inhoudelijk beoordeeld maar niet-ontvankelijk verklaard, waarbij het handelen van de gemachtigde wordt toegerekend aan de betrokkenen zelf.

Opvallend is dat de kantonrechter daarnaast vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, maar daaraan geen gevolgen verbindt. In een bijna beleidsmatige overweging wijst de rechtbank erop dat bij haar duizenden verkeersboetezaken wachten op behandeling. Het misbruiken van de gang naar de kantonrechter draagt er volgens de rechtbank rechtstreeks aan bij dat andere justitiabelen nóg langer moeten wachten op een uitspraak.

Deze uitspraak is een duidelijk waarschuwingssignaal aan de WAHV-praktijk. Procedurele verweren, zoals de schending van de hoorplicht, blijven relevant, maar verliezen hun betekenis wanneer zij worden losgezongen van een serieuze inhoudelijke betwisting van de boete. De kantonrechter maakt hiermee helder dat procederen niet mag ontaarden in een verdienmodel en dat misbruik van rechtsmiddelen niet alleen kansloos is, maar ook daadwerkelijk wordt afgestraft met niet-ontvankelijkheid.

Bron: Rb. Midden-Nederland, 2 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:6500.

Published On: 5 januari 2026

Deel dit bericht!